De Labrador

Wat meer informatie over de labrador, zoals zijn afkomst en geschiedenis, maar ook de ras standaard van deze schitterende hond. Meer info en filmpjes? Klik HIER.

Basis Informatie

  • Naam: Labrador
  • Oorsprong: Canada
  • Classificatie FCI: Groep 8 Sectie 1 #122

Ras Standaard

Algemeen beeld: Sterk gebouwd, kort in lendenen, bijzonder actief, breed in schedel, breed en diep in borst en ribben, breed en sterk in lendenen en achterhand.

Typische raskenmerken: Goed temperament, erg behendig. Buitengewoon goede neus, zacht in de mond, uitgesproken liefhebber van water. Een toegewijde, zich makkelijk aanpassende metgezel.

Temperament: Intelligent, levendig en gezeglijk, met een sterke wil zijn baas te behagen. Vriendelijk karakter zonder spoor van agressie of ongepaste schuwheid.

Hoofd/schedel: Schedel breed met een duidelijke stop, scherp besneden zonder vlezige wangen. Kaken middelmatig lang, krachtig en niet spits toelopend. Neus breed, neusgaten goed ontwikkeld.

Ogen: Middelmatig groot, met intelligente en vriendelijke uitdrukking, bruin of hazelnootkleurig.

Oren: Niet groot of zwaar, dicht tegen het hoofd aanliggend en vrij ver naar achteren geplaatst.

Mond: Kaken en gebit sterk met een volmaakt, regelmatig en compleet scharend gebit, dat wil zeggen dat de bovenste tanden net over de onderste tanden heen vallen en recht in de kaak staan.

Hals: Droog, sterk, krachtig, geplaatst op goedliggende schouders.

Voorhand: Schouders lang en schuinliggend. Voorbenen voorzien van stevige botten en recht van de elleboog tot de grond, zowel van voren als van opzij bezien.

Lichaam: Borstkas van goede breedte en diepte, met goed gewelfde, tonvormige ribben. Horizontale bovenbelijning. Lendenen breed, kort en sterk.

Achterhand: Goed ontwikkeld, niet naar de staart aflopend, goed gehoekte knie. Laag geplaatste hakken, koehakkigheid hoogst ongewenst.

Voeten: Rond, compact, goed gebogen tenen en goed ontwikkelde voetzolen.

Staart: Kenmerkend voor het ras, erg dik bij de aanzet en geleidelijk toelopend naar de punt, van middelmatige lengte, vrij van bevedering, maar rondom dik bekleed met een korte, dikke, dichte vacht, waardoor de ronde vorm ontstaat die beschreven wordt als ‘otterstaart’. Mag vrolijk gedragen worden, maar mag niet over de rug krullen.

Gang/beweging: Vrij, voldoende bodem beslaand, recht en zuiver zowel voor als achter.

Vacht: Kenmerkend voor het ras, kort, dicht, zonder golven of bevedering, vrij hard aanvoelend, weerbestendige ondervacht.

Kleur: Geheel zwart, geel of lever/chocoladekleurig. De gele kleur kan variëren van licht roomkleurig tot vossenrood. Kleine witte vlek op de borst is toegestaan.

Hoogte: Ideale schofthoogte reuen 56-57 cm, teven 54-56 cm.

Fouten: Iedere afwijking van de hierboven vermelde punten moet als fout worden aangemerkt, de mate waarin moet in verhouding tot de ernst van de fout staan.

Introductie

De Labrador retriever of kortweg labrador is een hondenras dat afkomstig is uit Newfoundland en Labrador, en afstamt van de St. Johns-hond. Vanuit dit ras is vanaf midden 19e eeuw in Engeland gekruist met een aantal andere rassen, zoals de Gordon setter, de spaniël, de Flatcoated retriever en de Chesapeake Bayretriever. De St. Johns-hond werd door de Eskimo's gebruikt voor de visvangst, de labrador werd gefokt voor de eendenjacht en voor de jacht in moerassige gebieden. De retriever heeft rudimentaire zwemvliezen tussen zijn tenen.

Uiterlijk

De vacht van de labrador is kort en dik met een waterafstotende ondervacht en heeft weinig verzorging nodig. De labrador komt voor in de kleuren zwart, blond, variërend van roomwit tot vossenrood (ook wel fox genoemd), en bruin. In de vroege geschiedenis van dit ras waren de labradors hoofdzakelijk zwart; blond kwam ook wel voor maar in veel mindere mate. In de jaren 70 werd de blonde kleur pas echt populair. Bruin werd gezien als een 'fout' en is pas vele jaren later als raskenmerkend toegevoegd aan de rasstandaard. Schofthoogte van de reuen is 55 tot 57 centimeter en die van de teefjes is van 54 tot 56 centimeter. Een labrador weegt ongeveer 25 tot 35 kilo. De gemiddelde levensduur van de Labrador retriever is 12 jaar.

Opvoeding

De labrador retriever is door zijn intelligentie en leergierigheid niet moeilijk op te voeden. Toch moet de opvoeding van de labrador niet onderschat worden. Ze hebben net als andere hondenrassen een strenge, consequente opvoeding nodig. Dit moet echter wel met zachte hand gebeuren, omdat het resultaat anders een zeer nerveuze hond is.

Gebruik

De Labrador is gefokt als jachthond voor wild te water. Na het schieten van het wild (eenden, ganzen etc.) was het de taak van de Labrador om deze te apporteren uit het vaak ijskoude water. Dankzij het type landschap is de Labrador een geharde hond, die niet snel zal laten blijken dat hij pijn heeft en graag werkt voor de baas. Ze blinken dan ook uit bij de jacht & jachttraining. De laatste jaren worden Labrador Retrievers vaak als blindengeleidehond ingezet, evenals assistentie- of hulphond, reddingshond en drugshond.

Geschiedenis

De mentale en fysieke eigenschappen van de uitzonderlijk goedaardige labrador zijn gesmeed in het wrede, onherbergzame water voor de kust van Newfoundland door de taaie vissers die hier vanaf het begin van de 16e eeuw een rijke vangst binnenhaalden. Vissers uit Engeland, Portugal en Frankrijk kwamen oorspronkelijk alleen in het visseizoen naar Newfoundland en later vestigden zij zich daar. Het is een algemeen aanvaard feit dat de honden die ze daar mee naartoe namen en vervolgens met elkaar kruisten de voorouders zijn van de honden die wij vandaag de dag als labradors kennen.

Halverwege de 18e eeuw groeide het vissersdorpje St. John's in Newfoundland uit tot een welvarende stad en het inwoneraantal nam toe. De plaatselijke vissershonden stonden toentertijd bekend als St. John's-honden. Deze taaie, maar evenwichtige honden werkten samen met hun baasje in kleine vissersboten en moesten het ijzige water induiken om vissen, lijnen en netten binnen te halen. Dankzij hun krachtige poten en otterstaart konden zij zich snel door de koude golven verplaatsen en hun dichte waterbestendige vacht beschermde hen tegen de kou en stootte het water af. Bovendien konden ze dankzij hun sterke, maar zachte mond hun vangst onbeschadigd naar hun baas terugbrengen. En na een lange dag hard werken, keerden de honden terug naar huis, waar ze de spelende kinderen vrolijk gezelschap hielden.

Deze unieke werkhonden zijn begin 19e eeuw via de vissershaven Poole in Dorset in Engeland geïntroduceerd. De jagers hier waren namelijk diep onder de indruk van hun unieke vaardigheden op het gebied van apporteren, zowel in het water als op het land. Een van die jagers was de tweede Earl of Malmesbury, die algemeen wordt erkend als de eerste voorvechter van de Labrador retriever in Engeland. Malmesbury importeerde St. John's-honden uit Newfoundland en stichtte zijn eigen kennels voor het ras. In tegenstelling tot andere eigenaren kruiste hij zijn honden niet met andere rassen en zo hield hij de soort zuiver.

In 1830 werden St. Johns-honden in de kennels van de Duke of Buccleuch in Schotland geïntroduceerd. En later in de eeuw werden de honden uit de twee kennels met elkaar gekruist om zo zuivere fokdieren te kweken. Dit was een goede zet van de fokkers, want in Newfoundland ging het bergafwaarts met het ras omdat er steeds meer schapenboeren kwamen en het gebied steeds zelfstandiger werd en minder met Engeland handelde. Ook de hoge invoerrechten maakten het lastig te importeren.